2.04.08 - Interview met Piet Lammertse (Moog-FCS)
In deze reeks worden mensen geïnterviewd die op de een of andere manier bij TREND betrokken zijn.
Bekijk alle interviews

1. Wat is uw eigen achtergrond?
Van oorsprong ben ik vliegtuigbouwer. Dat is een zeer brede en leuke opleiding met aandacht voor constructie, stromingsleer en besturingstechnologie. Ik heb daarna bij Fokker in de vliegtuigfabriek gewerkt ten tijde van de ontwikkeling van de Fokker 50 en de Fokker 100. Dat was een leuke tijd met zeer gemotiveerde mensen. Toen de toestellen in productie werden genomen,werd het minder leuk omdat de tijd van het ontwikkelen en ontwerpen voorbij was. Daarna heb ik me op de afdeling ruimtevaart bezig gehouden met de standregeling van satellieten. Uiteindelijk ben ik in 1998 via een interne sollicitatie terecht gekomen bij FCS op de afdeling Biorobotica, waar ik nu nog werk.
2. Kunt u wat meer vertellen over het bedrijf MOOG –FCS?
Het bedrijf is in 1980 opgericht. Toendertijd werkten er maar een paar personen, inmiddels zijn dat er 100 tot 125. Het was oorspronkelijk een afdeling van Fokker die zich bezig hield met de ontwikkeling van boordsystemen.
Daarbinnen hebben we ons vooral toegelegd op stuurknuppels, onder andere voor simulatoren.
Een jaar of 2 geleden is het bedrijf overgenomen door het Amerikaanse MOOG. Op het gebied van stuurknuppels zijn we wereldwijd marktleider. Daarnaast wordt er binnen MOOG- FCS ook gewerkt aan testsystemen van bijvoorbeeld vliegtuigvleugels, en motionplatforms voor simulatoren. De software die we hebben ontwikkeld voor de stuurknuppels is zelfs gecertificeerd door de Amerikaanse luchtvaartautoriteiten.
Moog is een prettig bedrijf om mee samen te werken. Ze gaan voor kwaliteit en goede klantenrelaties. Ze zijn ook heel erg geïnteresseerd in wat wij hier doen en vinden het belangrijk. Toen Fokker failliet ging heeft FCS een doorstart gemaakt onder de vleugels van de afdeling Ruimtevaart. 10 Jaar geleden heeft het toenmalig management er weer een zelfstandig bedrijf van gemaakt.
3. Wat is de link tussen vliegtuigen en CRPS?
MOOG- FCS heeft een afdeling biomedische robotica, ook wel de afdeling Haptiek genoemd. Toen ik hier in 1998 begon, was FCS bezig met het toepassen van de vliegtuigtechniek in andere markten. De medische robotica was een logische afzetmarkt, omdat het ook high- tech is. We hebben een aantal (inter)nationale projecten gedaan over een chirurgierobot en een röntgenapparaat met afstandsbediening. Dat heeft werkende prototypes opgeleverd, maar het was voor ons bedrijf te riskant om die verder door te ontwikkelen. We wilden ons meer richten op een direct toepasbaar, algemeen apparaat. Dat is de Haptic Master geworden. Oorspronkelijk was hij bedoeld als technologiedemonstrator, maar op eigen kracht is hij uitgegroeid tot een soort basis van revalidatierobots. Die toepassing is eigenlijk bij toeval ontstaan toen bezoekers van TNO er eentje wilden kopen. Ze wilden hem inzetten in een Engels onderzoeksconsortium ( GENTLE) dat zich bezighield met de revalidatie van CVA- patiënten. Mediche robotica is maar een klein gedeelte van het bedrijf maar het wordt door het management wel belangrijk gevonden.
Het verkopen van deze technieken aan de medische sector is niet eenvoudig, omdat men vaak nog niet bekend is met de mogelijkheden. Praten met medici vraagt ook andere vaardigheden dan praten met ingenieurs.
4. Waarom is het voor MOOG-FCS interessant om deel te nemen aan TREND?
Wij wilden graag een commerciële toepassing van de polsperstubator van de TU Delft ontwikkelen. TREND heeft ons de mogelijkheid geboden om dat apparaat te ontwikkelen en te testen, en dat is dus de Wristalyzer geworden
De wristalyzer moet de arts gedeeltelijk vervangen bij de haptische diagnose van patiënten met bijvoorbeeld MS, Parkinson of CRPS. Dit apparaat moet die meting objectiveren d.m.v. het aanbieden van kracht – of positieverstoringen. De meting door de arts is erg subjectief. Een nauwkeuriger meting zou ook kunnen leiden tot betere dosering van medicatie. De ontwikkeling van zo’n apparaat kost enkele jaren. De Delftse polsperturbator is een groot, academisch superapparaat, maar niet geschikt voor serieproductie.
Wij als industrie hebben de taak om dat te ontwikkelen tot een goed, betaalbaar en bruikbaar apparaat. In de medische sector is daar veel onderzoek voor nodig. Dat kan de industrie niet zelf doen, omdat dat een veel te lange adem vergt. De horizon van de industrie is vaak niet verder dan 2-3 jaar, in de academische wereld is dat al gauw 5-6 jaar. TREND heeft ons door die periode heen geholpen. De wristalyzer is verkocht aan een aantal klinieken en in samenwerking met de gebruikers wordt het apparaat nog verder ontwikkeld. TREND heeft voor ons dus zeer goed gewerkt.

